
In 1959 keerde Gerhard Eggers als technisch directeur terug naar Focke-Wulf in Bremen. De stad droeg nog de sporen van de oorlog, maar Eggers en zijn collega’s hadden een visie: de wederopbouw van de Duitse luchtvaartindustrie – en Duitse deelname aan de ruimtevaart.
Oprichting van Entwicklungsring Nord (ERNO)
Toen eind jaren vijftig het Brits-Franse voorstel ontstond om op basis van de Britse Blue Streak en de Franse Véronique een Europese draagraket te ontwikkelen, zouden de Duitsers de derde trap leveren. Het aanbod ging naar Focke-Wulf, Weserflug en Hamburger Flugzeugbau. De leiders van de drie bedrijven stemden af en richtten in 1961 het samenwerkingsverband Entwicklungsring Nord (ERNO) op – Eggers behoorde samen met dr. Czerwenka, dr. Seibold en Hans Schneider tot de initiatiefnemers. Schneider, een raketspecialist van het Franse SEPR die Eggers uit zijn Parijse tijd kende, leerde de jonge Bremer ingenieurs het handwerk van de rakettechniek.
Tijdgetuige Hans E. W. Hoffmann, later Spacelab-projectleider, beschreef in een oral-history-interview van het Deutsches Museum hoe hij in 1961 door Eggers persoonlijk voor de ruimtevaart werd geworven – de eerste drie ruimtevaartingenieurs in Bremen werden aanvankelijk meewarig aangekeken en „Die drei Gagarins” („de drie Gagarins”) genoemd, tot uit de kleine werkgroep een kerncentrum van de Duitse ruimtevaarttechniek groeide.
Commissie voor ruimtevaarttechniek
Eggers vertegenwoordigde Focke-Wulf in de Kommission für Raumfahrttechnik (KfR), waarin onder voorzitterschap van directeur F. Rudorf (Dresdner Bank) het eerste ruimtevaartprogramma van de Bondsrepubliek werd opgesteld – naast hem zaten daar o.a. Ludwig Bölkow, Eugen Sänger en vertegenwoordigers van Dornier, Daimler-Benz en de grote onderzoeksinstituten.
Oprichting en geschiedenis van ERNO
Op 1 januari 1961 werd de Entwicklungsring Nord (ERNO) opgericht als samenwerkingsverband; de kern van het team bestond aanvankelijk uit drie medewerkers: Winfrid Buhe, Hans Hoffmann en Horst Billig. In 1965 kreeg het samenwerkingsverband de status van een zelfstandige onderneming, de ERNO Raumfahrttechnik GmbH.
Eggers geldt daarmee als een van de wegbereiders van de moderne ruimtevaartindustrie in Noord-Duitsland: door de competenties van Noord-Duitse luchtvaartbedrijven te bundelen legde hij de basis voor een sterke Europese ruimtevaartindustrie – een belangrijke voorloper van latere samenwerkingsverbanden zoals de ESA en de ruimtevaartactiviteiten van Airbus.
Het grootste succes was het binnenhalen van de Spacelab-hoofdopdracht in 1974. In 1981 werd ERNO opgenomen in MBB en ging het later op in grotere concerns; de vestiging in Bremen bleef – tegenwoordig als onderdeel van Airbus Defence and Space – een belangrijk ruimtevaartcentrum.
Vereinigte Flugtechnische Werke (VFW)

Op 12 november 1963 fuseerden Weser-Flugzeugbau en Focke-Wulf tot de Vereinigte Flugtechnische Werke GmbH (VFW) met ruim 7.000 medewerkers – ongeveer een derde van de West-Duitse vliegtuigbouwcapaciteit. Eggers werd directeur voor het ontwikkelingsbereik, naast o.a. Wilhelm Bansemir, Hans Pasche en dr. Otto Proksch. Werkterreinen waren de ontwikkeling van VTOL-vliegtuigen, transportvliegtuigen, helikopters en ruimtevaartmaterieel. Tot de projecten van deze jaren behoorden de VFW 614 en het verticaal startende VAK 191B.
In 1964 werd Eggers benoemd tot honorair hoogleraar aan de TU Berlijn en pendelde hij voortaan geregeld tussen Bremen en Berlijn om over verticale-starttechniek te doceren.
Volgend station: Ruimtevaart: van de Europa-raket tot Spacelab